Akkoortje 22
Bach zingen
Dat muziek enorm kan ontroeren heb ik zelf voor het eerst ervaren als pakweg zesjarig kind toen ik op mijn koffergrammofoon een plaatje draaide van mijn vader met aan de ene kant Träumerei van Schumann en aan de andere kant Solveigs lied van Grieg. Vraag me niet welke kant de a-kant was en welke de b-kant, want dat weet ik echt niet meer. Wel weet ik dat ik spontaan begon te huilen bij het horen van deze muziek. En ja, ik heb het vele malen daarna nog gecheckt: die muziek ontroert me nog steeds. Er zijn veel mensen die dit herkennen en naar verluidt overkomt dit ook bezoekers van een of andere uitvoering van de Matthäus Passion. Zo laat in een interview pianist en componist Cor Bakker zich lyrisch uit : ‘Johann Sebastian Bach is de allergrootste... Bij het begin van de Matthäus Passion schiet ik altijd vol. Dat begint op het moment dat de koren in Kommt, ihr Töchter beginnen te zingen. De menselijke stem is het mooiste instrument dat er bestaat, nog mooier dan de piano. Je raakt meteen ontroerd. En dan die muziek natuurlijk… Fenomenaal. Ze zeggen weleens: God heeft Bach naar beneden gestuurd als voorbeeld voor de andere componisten: jongens, dit is de norm, kom daar maar eens overheen. Nou, er is nooit meer iemand overheen gekomen.’
Je zou dus kunnen concluderen dat je als koor met uitvoeren van muziek van Bach, al dan niet met orkest, je luisteraars beroeren niet het moeilijkste is. Bach zingen is echter een niet eenvoudige klus! Een mooie uitspraak van de Vlaamse dirigent Philippe Herreweghe beaamt dit: ‘Bach drukt de mistekst met zijn muziek heel goed uit, zoals hij dat in al zijn vocale werken doet, maar de inhoud is minder zwaar dan bij bijvoorbeeld de Matthäus-Passion, die ik meerdere keren bij het Concertgebouworkest heb gedirigeerd. Als dirigent en musicus moet je je bij Bach vooral inleven in de tekst, en bij de Passionen in het lijden en sterven van Christus. Zeker nu ik wat ouder word, ervaar ik dat als zwaar. Terwijl ik, als ik de Hohe Messe heb gedirigeerd, die toch ook bijna twee uur duurt, daar altijd weer verkwikt uit kom.’
Dat stukken van Bach zingen lang niet meevalt, hebben wij ook zelf als Stadhuiskoor mogen ervaren toen Janneke een koraal, nummer 23, uit de genoemde Matthäus-Passion liet zingen. Het muziekstuk is heel stilistisch, haast analytisch, opgebouwd. De melodie ontstaat uit de verweving van de verschillende stemmen. De tekst is van religieuze aard en zeer verheven. Ook Bach (1685 – 1750) is een kind uit zijn tijd, de Barok, en dat kun je horen. Er zijn mensen die uitgesproken Bach-liefhebbers zijn en ik denk dat je dat ook moet zijn om te kunnen genieten van het zingen (in ons geval) van zijn muziek. Mijn voorkeur gaat eerlijk gezegd meer uit naar romantische liederen van Schubert bijvoorbeeld, maar dat maakt niets uit. De uitdaging om toch iets moois te maken van iets wat je niet persé je eigen keuze is, vind ik juist één van de elementen die het zo leuk maken om in een koor te zingen!
Een vraag die me sinds het oefenen van Koraal 23 heeft getriggerd en beziggehouden, is: zou Bach echt een hekel aan sopranen gehad hebben dat hij ze zo lang zo ontzettend hoog laat zingen? Mijn zoektocht brengt mij in gesprek met een Bach-liefhebber, die als tegenvraag stelt: hou jij niet van Bach dan? Dat kan toch niet! Bach niet leuk vinden is als 'het oneens zijn' met de zwaartekracht. Gelukkig vind ik een meer bevredigend antwoord bij Philippe Herreweghe. Herreweghe is een Bach-kenner en vertelt dat hij al vanaf zijn achtste jaar Bach zingt en/of dirigeert. Het is wel zo, vindt hij, dat in de jaren, hij is nu 78, mensen er wel beter in geslaagd zijn om de muziek van Bach technisch beter te spelen, maar hij vindt het er niet mooier op geworden. In de tijd dat Bach leefde, zongen er meestal geen vrouwen in kerkkoren. De sopraanpartijen,en ook vaak van de alt, werden vertolkt door jongens. Ik citeer de dirigent: ‘Neem nu de sopraanpartijen. Die worden in de cantates bij voorkeur gezongen door knapen. Het timbre van een knapenstem is uniek. En als zo’n jongetje dan zingt over thema’s als leven, dood en lijden, geeft dat toch een diepere betekenis aan de woorden. Die knapenkoortraditie is jammer genoeg in één generatie verdwenen.’
Dus, dames sopranen, dat Bach een hekel had aan sopranen heb ik niet kunnen achterhalen. Zeker is wel dat hij het je wèl zo laat voelen als je Koraal 23 of een ander Bach-muziekstuk zingt. We kunnen nu met een rustiger gemoed de uitdaging aangaan, want kwelen als nachtegalen dat kunnen we nog proberen, maar zingen als koorknapen, dat is toch echt een stap te ver!